InhoudCorrespondentie; stukken betreffende het Katholiek Vrouwelijk Jeugdwerk, Mater Amabilisscholen en Scouting; Stukken betreffende jeugd en sport en de Nederlandse Katholieke Sportbond; stukken betreffende diverse organen die zich met de jeugd bezighouden: Nederlandse Katholieke Jeugdraad, dekenale aalmoezeniers, plaatselijke katholieke jeugdraden en werkgroepen; stukken betreffende cursussen ‘inleiding in het volle leven’, jeugdmeerdaagsen, jongerenweken; stukken betreffende cursusmateriaal: films en gespreksstoffen; stukken betreffende het Katholiek Service Instituut voor Levensvorming.
Over de oprichting, het functioneren en de opheffing van het Bureau Jeugdzielzorg in het Aartsbisdom Utrecht is weinig te achterhalen. Uit het archief valt af te leiden dat het bureau het coördineren en stimuleren van de plaatselijke jeugdzielzorg tot taak had. In de jaren veertig en vijftig (mogelijk ook al voor de Tweede Wereldoorlog) betrof dat vooral het vrouwelijk jeugdwerk, in de jaren zestig en zeventig een breed palet van cursussen voor jeugd en jongeren, waarvan de zogeheten ‘jeugddriedaagsen’ aan het eind van de lagere school wel het bekendst zijn. Voor dergelijke cursussen leverde het Bureau ook films en gespreksstoffen. Voorts onderhield het Bureau contacten met jeugdaalmoezeniers, de Nederlandse Katholieke Sportbond en de Nederlandse Katholieke Jeugdraad. In de jaren zeventig werd het Bureau voortgezet als Katholiek Service Instituut voor Levensvorming, een sectie van het Diocesaan Pastoraal Centrum. Toonaangevend was zijn publicatie: Jan Nieuwenhuis, Terwijl de boer slaapt: opvoeding van kleine gelovigen (1972).