InhoudCorrespondentie en aantekeningen; toespraken en lezingen; stukken betreffende de KVP; stukken betreffende kabinetscrises en formaties, Kamer- en Statenverkiezingen en regeringsverklaringen; stukken betreffende de Grondwet, verslagen van vergaderingen van de Tweede Kamer, stukken betreffende het Koninklijk Huis en persberichten. Het archief Cals geeft geen volledig beeld van al zijn activiteiten en functies. De nadruk ligt op de korte periode van zijn minister-presidentschap.
Cals studeerde rechten (1935-1940) in Nijmegen. In 1945 werd hij lid van de noodgemeenteraad van de stad. Hij was tot 1948 fractievoorzitter van de KVP in de Nijmeegse gemeenteraad. In dat jaar kwam hij voor de KVP in de Tweede Kamer. In de jaren 1945 tot 1950 was hij werkzaam als jurist en bekleedde hij verschillende functies in de jeugdbeweging: voorzitter van de Katholieke Jeugdraad van Nederland, plaatsvervangend hoofdcommissaris van de Nederlandse Padvinderij en hoofdkwartier commissaris van de Katholieke Jeugdbeweging. Van 1950 tot 1952 was hij staatssecretaris en van 1952 tot 1963 minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Zijn belangrijkste bijdrage als minister was de totstandkoming van de Wet tot Regeling van het Voortgezet Onderwijs (de Mammoetwet) in 1963. In de jaren 1965-1966 leidde Cals een kabinet van KVP-ARP-PvdA, het kabinet Cals-Vondeling. Hij kreeg te maken met de problemen rond het huwelijk van prinses Beatrix. De aanvaarding van de motie-Schmelzer in oktober 1966 was de oorzaak van het vroegtijdige einde van zijn minister-presidentschap. In hetzelfde jaar werd Cals benoemd tot Minister van Staat.