Geschiedenis archiefvormerHet Rooms-Katholiek Weeshuis Semarang is een stichting die zijn oorsprong vind in het R.K. Kerk- en Armenbestuur, opgericht op 29 januari 1809. In de beginjaren ontbrak het Rooms-Katholiek Weeshuis aan een institutionele infrastructuur. Er was geen vast onderkomen of personeel, waardoor de kinderen aanvankelijk werden ondergebracht bij de koster en later bij verschillende weduwen. In 1815 huurde het kerk- en armenbestuur een huis en stelde het een weesmoeder aan, die verantwoordelijk werd voor de dagelijkse zorg (en onderwijs) van de 10-15 jongens en meisjes. De kosten hiervoor werden gedekt door de armenkas van de kerk. Vanaf 1821 kende het gouvernement een maandelijkse subsidie per kind toe. In 1828 kocht pastoor Henricus Scholten een huis aan (Gedangan) in de benedenstad van Semarang, een aankoop die werd gefinancierd met middelen uit collectes, een lening van de Weeskamer en voorschotten uit de staatskas.
Tot 1830 viel het weeshuis volledig onder kerkelijk gezag. Hoewel het sinds 1819 al onder toezicht van de Resident van Semarang stond (volgens artikel 36 van het Reglement op het Binnenlandsche Bestuur en dat der Financiën op Java), en vanaf 1821 subsidie ontving van het gouvernement, behield het bestuur nog grotendeels zijn zelfstandigheid.
Op 4 december 1830 vond echter een ingrijpende hervorming plaats. Op basis van een missive van de Resident van Semarang werd een scheiding doorgevoerd tussen het Rooms-Katholieke Weeshuisbestuur en het Rooms-Katholieke Kerk- en Armenbestuur. Hierdoor werd een nieuw bestuur opgericht onder de officiële naam Roomsch Catholijk Weeshuis Bestuur (Resolutie 4-12-1830, n. 6). Katholieke schrijvers omschreven deze verandering later zelfs als een 'staatsgreep', niet alleen omdat er protestantse bestuurders werden aangesteld, maar ook omdat het weeshuis voor enkele decennia grotendeels onder overheidscontrole kwam te staan.
Tussen 1831 en 1905 functioneerde het Rooms-Katholiek Weeshuis als een gouvernementsinstelling, waarbij de koloniale overheid bestuursleden benoemde en ontsloeg via de Gouverneur-Generaal en de Resident van Semarang. Met het Gouvernementsbesluit van 30 mei 1905, n. 52 kwam deze formele overheidscontrole ten einde, en werd het weeshuis bevestigd als particuliere instelling met volledige autonomie over beleidsvoering, bestuursbenoemingen en kinderopnames. De nieuwe status werd in 1907 vastgelegd in een nieuw reglement, waarin in artikel 1 expliciet werd benadrukt dat het weeshuis een kerkelijke stichting was, opgericht door het Roomsch-Katholieke Kerk- en Armbestuur van Semarang. Hoewel de overheid zich terugtrok uit het bestuur, bleef zij toezicht houden op subsidies en het formatiebeleid.
Hoewel de eerste leden van het zelfstandige Rooms-Catholijk Weeshuis bestuur voornamelijk uit protestanten bestonden, kregen katholieken al snel weer een plaats binnen het bestuur. Een belangrijke stap hierin was de benoeming van onderpastoor C. Reijnen in 1839, waarmee geestelijken opnieuw een rol kregen in het bestuur van het weeshuis. Vanaf dat moment maakten katholieke geestelijken vrijwel onafgebroken deel uit van het bestuur, dat doorgaans bestond uit zowel katholieke geestelijken als leken met diverse professionele achtergronden wat bijdroeg aan een bredere expertise binnen de instelling. De samenstelling van het bestuur wijzigde regelmatig door het aftreden en de benoeming van nieuwe leden. Na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 vond een geleidelijke herstructurering van het bestuur plaats, waarbij Indonesische priesters en leken prominente bestuursfuncties op zich namen. Het bestuur was verantwoordelijk voor de financiën, fondsenwerving en naleving van wet- en regelgeving, benoemde personeel en onderhield contacten met donateurs, financiers, kerkelijke en overheidsinstanties. Voor dagelijks toezicht op het weeshuis werd een Commissaris van de Maand aangesteld en een thesaurier beheerde de kas.
Sinds 1828 beschikte het weeshuis over een eigen gebouw en terrein, Gedangan. Naarmate het aantal pupillen groeide, werden in de tweede helft van de 19e eeuw slaapzalen, leslokalen, een eetzaal, een ziekenzaal en een recreatieplek gebouwd en aangelegd. In de beginjaren lag de nadruk vooral op het bieden van onderdak en basisvoorzieningen aan kinderen, onder leiding van een binnenregent en binnenregentes. Deze functies werden vervuld door katholieke echtparen van middelbare leeftijd. Onderwijs werd verzorgd door een gesubsidieerde onderwijzer in de gesubsidieerde weeshuisschool. De komst van de Zusters Franciscanessen in 1870 bracht een structurele hervorming in de organisatie van het weeshuis. Zij namen de leiding over de meisjesafdeling in Gedangan en richtten in 1871 een kinderafdeling op, evenals diverse scholen op het terrein. Het toezicht op de jongensafdeling bleef tot 1911 in handen van een binnenregent, maar werd daarna overgenomen door de Broeders van de Heilige Aloysius van Oudenbosch. In 1916 verhuisde de jongensafdeling naar een zelfstandige locatie in de bovenstad van Semarang, in Tjandi/Candi (later ook bekend als Karang Panas, naar de gelijknamige parochie). Beide locaties beschikten over kerk/kapel, slaapzalen, keukens, recreatieruimtes, sportvelden en diverse scholen, die ook toegankelijk waren voor buitenkinderen. Daarnaast had het weeshuis een eigen vakantie/hersteloorden in koeler gelegen gebieden in Centraal-Java, waaronder Villa Vincentia in Salatiga en een vestiging in Ambarawa. Na de jaren 1970 werd de meisjesafdeling opgeheven, gevolgd door de sluiting van de jongensafdeling. De gebouwen bestaan anno 2025 nog steeds en vervullen nieuwe functies.Tussen 1808 en 1831 werd de opname van kinderen geregeld via individuele verzoeken, vaak informeel en zonder vaste criteria, onder beheer van het kerk- en armbestuur in Semarang. Met de hervormingen van 1830 en de oprichting van een zelfstandig bestuur werd dit proces systematischer, mede door de gouvernementele subsidies bedoeld voor kinderen van overleden Europese militairen en hun inheemse moeders (resolutie van 12 maart 1831, nr. 48). Tijdens de koloniale periode kende het weeshuis verschillende financieringsregelingen, waarbij kinderen werden opgenomen als regeringspupillen, gouvernementspupillen, voogdijpupillen, gemeentepupillen, bovenformatiekinderen of kostkinderen, elk met een eigen subsidiemodel. Na 1950 veranderde de financiering opnieuw: Nederlandse pupillen ontvingen steun van het ministerie van Sociale Zaken en Maatschappelijk Werk, terwijl Indonesische Warga Negara-pupillen werden gesubsidieerd door de Indonesische departementen voor sociale zorg.
Het aantal jongens en meisjes in het weeshuis schommelde doorgaans tussen de 200 en 400, met uitschieters tot 500. De opnamecriteria van het weeshuis werden vastgelegd in resoluties en later in de reglementen van 1852, 1874, 1907 en 1952. Vanaf de oprichting richtte het weeshuis zich uitsluitend op katholieke kinderen, met tijdens de koloniale periode een nadrukkelijke focus op kinderen van Europese afkomst en die volgens de koloniale wetgeving als Europees of daarmee gelijkgesteld werden beschouwd (juridisch Europeaan). Na 1950 werd de beperking "Europeaan of met dezen gelijkgesteld" geschrapt uit het reglement, waardoor ook Indonesische en Chinese kinderen werden toegelaten. Na de officiële soevereiniteitsoverdracht werd voor diverse Nederlandse pupillen het Warga Negara-schap aangevraagd, hetzij door hun ouders, hetzij door de directie van het weeshuis. Enkele pupillen met Nederlandse vaders/nationaliteit werden gefaciliteerd door het weeshuis bij hun migratie naar Nederland, de laatsten in 1965.
Het dagelijks leven in het weeshuis werd gekenmerkt door een strikte dagindeling en gereguleerde leefomstandigheden. Onderwijs was een kernonderdeel van hun opvoeding, met religieuze vorming als vast onderdeel van hun morele en sociale ontwikkeling.
Het weeshuis onderhield nauwe banden met oud-leerlingen. In 1909 organiseerden zij het jubileumfeest, en in 1933 verscheen het Weeshuisblad om de onderlinge verbondenheid te versterken. Dit tijdschrift groeide snel en bood oud-pupillen een manier om contact te houden met elkaar en met het weeshuis.